Adviesbureau J.A.M Louwe | Jewelweg 7 | 1759 HA | Callantsoog | T: 0224 581689 | F: 0224 582245

Branches

Branches

Fiscale TIPS 2 Panden in gemengd gebruik Lijfrentepremieaftrek vanaf 2001 Maatschappelijk beleggen en beleggen in durfkapitaal Vervangingsreserve wordt herinvesteringsreserve Personeelsleningen Verhuur werkkamer aan eigen B.V. vanaf 2001 Panden in gemengd gebruik In het MKB (ondernemers) komt het gemengde gebruik van panden veelvuldig voor. Vanaf 2001 worden de fiscale consequenties van gemengd gebruik mede bepaald door de inhoud van het huwelijksgoederenregime tussen echtgenoten. Uw (bedrijfs)pand kan voor de inkomstenbelasting als verplicht zakelijk vermogen worden beschouwd (bijvoorbeeld een zakenpand op een industrieterrein) of als verplicht privé-vermogen (bijvoorbeeld een appartementje aan de kust). Bij sommige panden mag u een keuze maken: of zakelijk, of privé. Wanneer u gekozen had voor privé-vermogen dan bleven de waardestijgingen in het verleden onbelast. Vanaf 1 januari 2001 Vanaf 1 januari 2001 is echter het een en ander veranderd. Wanneer uw pand keuzevermogen is en een keuze voor privé-vermogen is uitgebracht, kunt u te maken krijgen met de zogeheten terbeschikkingstellingsregeling. De waardestijging vanaf 1 januari 2001 kan dan alsnog belast zijn. Van grote invloed is de wijze waarop u gehuwd bent. In gemeenschap van goederen Stel, u bent in gemeenschap van goederen gehuwd. U bent huisarts en u hebt uw praktijkpand, dat voor u keuzevermogen is, geheel tot het privé-vermogen gerekend. Het praktijkgedeelte blijft onder het nieuwe belastingregime privé. Het voor de onderneming gebruikte deel van het pand wordt belast in box III (1,2% belastingheffing), terwijl voor de winst een aftrekpost kan worden opgevoerd van 4% van de waarde van het deel van het pand dat in de onderneming wordt gebruikt. Waardestijgingen blijven onbelast. Pand in gemeenschappelijk vermogen Indien u buiten gemeenschap van goederen bent gehuwd en hetzelfde praktijkpand tot het gemeenschappelijk vermogen behoort, zijn de fiscale gevolgen identiek aan die in de vorige alinea. Buiten gemeenschap van goederen In de situatie dat u buiten gemeenschap van goederen bent gehuwden het praktijkpand eigendom van uw echtgenote is, is echter de terbeschikkingstellingsregeling van toepassing. Het gevolg hiervan is dat een waarde- stijging belast is. In de onderneming mag dan voor het gebruik van het pand een fictieve gebruiksvergoeding ter grootte van de economische huurwaarde ten laste van de winst worden gebracht. De echtgenoot die het gedeelte van het pand ter beschikking stelt, wordt in de progressieve belastingheffing van box I betrokken. Mogelijkheden Door de uitsluiting van vermogens te wijzigen in algehele gemeenschap van goederen kunt u de laatste situatie voorkomen. Als u dat te ver vindt gaan, kunt u ook een zogeheten beperkte huwelijksgemeenschap vormen: een huwelijksgemeenschap die alleen het praktijkpand betreft. Wanneer het pand op die manier voor de helft op uw naam komt te staan, betaalt u geen overdrachtsbelasting. Als u die wijziging aanbrengt, moet u wel beseffen dat u het pand in de risicosfeer brengt. U kunt het pand dan, hoewel privé, bij een faillissement verliezen via de huwelijksgemeenschap. Lijfrentepremieaftrek vanaf 2001 Nu de wetgeving definitief is, kunt u kijken welke aftrekmogelijkheden er vanaf 2001 nog zijn. In dit artikel geven wij aan wat u nog kunt aftrekken en wanneer u die premie uiterlijk moet betalen. Basisruimte In 2001 is een ongetoetste premieaftrek toegestaan van ƒ 2.283,-. Op dit bedrag komen in mindering: vrijwillige pensioenbijdragen uit bedrijfsspaarregelingen. Dit is de zogenoemde basisruimte. De basisruimte is niet overdraag- baar aan de partner. U moet de premie betalen in het jaar van aftrek. Jaarruimte Boven de basisruimte komt u alleen voor premieaftrek in aanmerking als u te weinig oudedagsvoorziening opbouwt. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de formule van de jaarruimte. De premieaftrek bedraagt 17% van de premiegrondslag. De premiegrondslag bestaat uit de volgende elementen: - Winst (vóór toevoegingen aan en afnemingen van de f.o.r. van vóór de ondernemersaftrek); - Belastbaar loon plus autokostenforfait; - Resultaat uit overige werkzaamheden; - Periodieke uitkeringen. De premiegrondslag wordt verminderd met een franchisebedrag van ƒ 21.808,-. Er geldt een bedrag van ƒ 292.589 ,- als maximale premiegrondslag. Nadat u 17% van de premiegrondslag berekend hebt, moet u hierop de volgende bedragen in mindering brengen: - De fiscale oudedagtoevoeging (alleen van toepassing voor ondernemers); - 7,5 maal de pensioenaangroei (volgens opgave van de pensioenverzekeraar); - De benutte basisruimte; - Vrijwillige pensioenbijdragen uit bedrijfsspaarregelingen. Pensioenfondsen zijn met ingang van 1 januari 2001 verplicht u de opgebouwde pensioenrechten mee te delen. Voorbeeld ondernemer U hebt een onderneming en behaalt een winst van ƒ 100.000,- (vóór f.o.r. en ondernemersaftrek). U mag ƒ 12.000 ,- aan de fiscale oudedagsreserve toevoegen. U hebt aan basisruimte ƒ 2.283,- benut. U hebt aan jaarruimte 17% van ƒ 78.192,- minus ƒ12.000,- (f.o.r.-dotatie) minus ƒ 2.283,- (basisruimte) is ƒ 0,-. Per saldo kunt u dus ƒ 2.283 ,- aftrekken mits u dit in het jaar van aftrek hebt betaald. Voorbeeld werknemer U hebt een salaris van ƒ 100.000,- en een auto van de zaak van ƒ 50.000,-. Uw pensioenaanspraak bedraagt ƒ 1.200,-. Uw premiegrondslag bedraagt ƒ 100.000,- plus 25% van ƒ 50.000,- is ƒ 112.500,- minus ƒ 21.808,- franchise is ƒ 90.692,-. De premieaftrek bedraagt 17% van ƒ 90.692,- minus 7,5 x ƒ 1.200,- is ƒ 6.417,-. Als u de basisruimte hebt benut,hebt u nog een jaarruimte van ƒ 4.134,-. Inhaalaftrek Als u in de afgelopen zeven jaren geen gebruik hebt gemaakt van de jaarruimte kunt u gebruikmaken van de inhaalaftrek. Deze bedraagt 17% van de premiegrondslag van dit jaar met een maximum van ƒ 12.579,- als u jonger dan 55 jaar bent en ƒ 24.849,- als u 55 jaar of ouder bent. F.o.r. omzetten in lijfrente Ondernemers kunnen altijd lijfrentepremies storten ter grootte van de stand van de fiscale oudedagsreserve. Zo kunnen zij in eerste instantie een aftrekpost nemen (de dotatie aan de f.o.r.) en deze pas wanneer de liquide middelen dit toelaten, overgaan tot het afstorten naar een verzekeringsmaatschappij. Stakingslijfrente Een ondernemer kan in het jaar van staken extra lijfrentepremies aftrekken. Maximaal aftrekbare bedragen zijn afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden. Moment van premieaftrek U bent verplicht de premie voor de basisruimte te betalen in het jaar van aftrek. Voor de jaarruimte, de inhaalaftrek, f.o.r. en stakingslijfrente hebt u voor de jaren 2001 en 2002 de tijd tot 12 maanden na afloop van het jaar waarin u de premie wilt aftrekken. Daarna geldt een termijn van 6 maanden. Voor het jaar 2000 kunt u nog premies pensioentekort en staking onderneming aftrekken mits u deze betaalt vóór 1 juli. Bestaande polissen Bestaande polissen komen slechts voor premieaftrek in aanmerking als zij voldoen aan de nieuwe voorwaarden. Polissen van vóór 1 januari 1992 voldoen hieraan in het algemeen niet. Deze kunt u premievrij maken, dan houden deze polissen de mogelijkheid om de begunstigde te wijzigen en om ze af te kopen. Maakt u ze niet premievrij dan moet u de polisvoorwaarden aanpassen. Er is een beperkte overgangsregeling die inhoudt dat de waarde van polissen waarvan de premie tot een bedrag van ƒ 5.000,- niet aftrekbaar is in box I vallen. Als u deze polissen laat doorlopen, betaalt u over de waarde van deze polis geen vermogensrendementsheffing van 1,2% in box III. De uitkeringen zijn straks belast voor- zover zij de niet aftrekbare premies overtreffen. Maatschappelijk beleggen en beleggen in durfkapitaal Vanaf 1 januari worden de niet tot box I (inkomen uit werk en woning) of tot box II (aanmerkelijk belang) behorende vermogensbestanddelen forfaitair belast in box III. Over de waarde van bijvoorbeeld privé-beleggingen wordt over een forfaitair rendement van 4%, 30% belasting geheven. Van deze vermogensrendementsheffing in box III zijn echter vrijgesteld de zogenaamde 'maatschappelijke beleggingen' en beleggingen in durfkapitaal. Voor beide regelingen kunt u gebruikmaken van een maximale vrijstelling van fl. 103 539,- (en voor gehuwden fl. 207 078,-). Van beide vrijstellingen kan naast elkaar gebruikgemaakt worden. U hoeft met eventuele financiering voor de berekening van de hoogte van vrijstelling in box III geen rekening te houden. De schuld blijft aftrekbaar in box III. Maatschappelijke beleggingen Maatschappelijke beleggingen bestaan uit groene beleggingen en sociaal ethische beleggingen. Groene beleggingen zijn (vaak laagrenderende) projecten op het gebied van natuur en milieu. Het begrip sociaal ethische beleggingen omvat bijvoorbeeld beleggingen in projecten in ontwikkelingslanden gericht op voeding, economische ontwikkeling en werkgelegenheid. Aanwijzing van fondsen op het gebied van sociaal ethische beleggingen moet nog plaatsvinden. Beleggingen in durfkapitaal Van durfkapitaal is sprake indien u direct of indirect risicovolle, achtergestelde leningen aan startende ondernemers verstrekt. Hieronder worden vanaf 1 januari ook rechtspersonen verstaan. De lening moet geregistreerd worden bij de belastingdienst en dient gebruikt te worden voor financiering van bestanddelen van het verplichte ondernemingsvermogen. Deze regeling geldt ook voor culturele beleggingen. Indien de ondernemer de lening niet kan terugbetalen is - onder voorwaarden - een verlies op een directe belegging in durfkapitaal aftrekbaar als persoonsgebonden aftrek. De aftrek is echter maximaal fl. 103 539,- per persoon (dit was t/m 2000 fl. 50 000,-). Hiervoor is een beschikking van de inspecteur noodzakelijk. Heffingskortingen Naast een vrijstelling in box III wordt, om maatschappelijke beleggingen en beleggingen in durfkapitaal aantrekkelijker te maken, een extra heffingskorting gegeven van 1,3% van de waarde van de betreffende belegging, voorzover de waarde hiervan in box III is vrijgesteld. Overgangsrecht Voor bestaande groene beleggingen is er een overgangsregeling in het leven geroepen. Groene beleggingen die u vóór 1 januari 2001 hebt aangeschaft en die u nog bezit, zijn onbeperkt vrijgesteld in box III. Over de gehele vrij- gestelde waarde wordt een heffingskorting verkregen van 1,3%. Het overgangsrecht geldt tot en met 31 december 2010. Vervangingsreserve wordt herinvesteringsreserve De per 1 januari 2001 vervallen Wet op de inkomstenbelasting 1964 bevatte een faciliteit op grond waarvan de winst die werd behaald bij de vervreemding van een bedrijfsmiddel - de boekwinst - belastingvrij kon worden gereserveerd ten behoeve van de investering in een vervangend bedrijfsmiddel met dezelfde bedrijfseconomische functie (de vervangingsreserve). Deze faciliteit is met ingang van 1 januari 2001 gewijzigd en heeft daarbij de naam herinvesteringsreserve gekregen. Reservering en afschrijvingstermijn De nieuwe faciliteit van de herinvesteringsreserve maakt onderscheid tussen enerzijds bedrijfsmiddelen met een afschrijvingstermijn van ten hoogste tien jaar, en anderzijds bedrijfsmiddelen met een afschrijvingstermijn van meer dan tien jaar of bedrijfsmiddelen waarop niet wordt afgeschreven. Om ondernemers in staat te stellen flexibeler in te spelen op veranderende marktomstandigheden, vervalt bij vervreemding van bedrijfsmiddelen die in minder dan tien jaar worden afgeschreven, de eis dat deze worden vervangen door een soortgelijk bedrijfsmiddel. Verruiming mogelijkheden Dit leidt tot een verruiming van de mogelijkheden tot het onbelast reserveren van behaalde boekwinsten. Wel blijft de eis gehandhaafd dat het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat. Is op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig afgeschreven, dan kan voor het deel van de boekwinst dat is ontstaan door de willekeurige afschrijving geen herinvesteringsreserve worden gevormd. U kunt de gevormde herinvesteringsreserve afboeken op bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd. Het gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van die bedrijfsmiddelen mag echter door die afboeking niet dalen beneden het bedrag van de boekwaarde van het vervreemde bedrijfsmiddel. Niet voor beleggingen Een herinvesteringsreserve kan niet worden gevormd of gebruikt voor vermogensbestanddelen die ter belegging worden aangehouden. Uit de parlementaire stukken blijkt dat vermogensbestanddelen die gelet op de aard van de bedrijfsvoering een functie vervullen binnen de onderneming, niet als beleggingen worden aangemerkt. Antimisbruikbepaling De herinvesteringsreserve van vennootschappen waarvan de bezittingen voor 30 procent of meer bestaan uit beleggingen, dient in de winst te worden opgenomen bij een wijziging van 30 procent of meer van de uiteindelijke zeggenschap of de uiteindelijke gerechtigheid tot het vermogen van de vennootschap. Deze maatregel is genomen om ongewenste handel in vennootschappen met een herinvesteringsreserve tegen te gaan. Termijn De investeringstermijn van vier jaar is verkort naar een termijn van drie jaar. Deze termijn kan onder specifieke situaties worden verlengd. Van belang is dat op grond van een overgangsregeling de termijn vier jaar bedraagt indien de (driejaars-)termijn op 31 december 2000 zou zijn geëindigd. Personeelsleningen Tot 2001 gold de regeling dat wanneer een werkgever aan zijn personeel renteloos leende, over dit rentevoordeel geen loonbelasting werd geheven, mits het personeel, als er wel rente was bedongen, deze rente af had kunnen trekken in de aangifte inkomstenbelasting. Omdat in de inkomstenbelasting vanaf 2001 de rente op consumptieve leningen niet meer aftrekbaar is, heeft de wetgever de regeling voor personeelsleningen aangepast. Vanaf 1 januari 2001 Het rentevoordeel op een personeelslening is belast voorzover de overeengekomen rente lager is dan de normrente. De normrente is per 1 januari 2001 vastgesteld op 5,25%. Is bijvoorbeeld bij een lening van ƒ 10.000,- een rente van 4% overeengekomen, dan wordt ƒ 125,- (ƒ 10.000,- x 1,25%) belast als loon. Uitzonderingen Er is een aantal uitzonderingen. Als de lening is aangegaan voor de eigen woning, of als de lening is aangegaan voor de aanschaf van goederen die de werkgever (nagenoeg geheel) onbelast had kunnen vergoeden of verstrekken, dan blijft een rentevoordeel onbelast. Hieronder valt ook een lening voor een PC en/of voor de inrichting van een telewerkplek. De PC en/of telewerkplek moet dan wel voldoen aan de voorwaarden die gelden voor de onbelaste vergoeding/verstrekking. De PC moet dus (mede) zakelijk worden gebruikt en de lening mag maximaal ƒ 5.000,- zijn. Voor de telewerkplek geldt dat er een telewerkcontract moet zijn, dat de werkzaamheden per computer, modem of fax moeten worden verricht, dat ten minste één werkdag per week thuis wordt gewerkt en dat de lening maximaal ƒ 4.000,- bedraagt. Overgangsregeling Verder is er een overgangsregeling voor de jaren 2001 en 2002 opgenomen voor personeelsleningen die op 31 december 2000 al bestonden. Deze worden tot ƒ 7.499,- geacht te zijn gebruikt voor goederen die de werkgever onbelast had kunnen vergoeden of verstrekken. Daarmee blijft het rentevoordeel op oude leningen in veel gevallen buiten de loonbelasting. Tot slot Het is mogelijk om van meerdere uitzonderingen gebruik te maken, mits uiteraard voor iedere afzonderlijke lening aan de voorwaarden wordt voldaan. Kan een personeelslening niet onder één van de uitzonderingen worden gerangschikt, overweeg dan of deze nog wel interessant is. Bedenk dat het door de jaarlijkse vaststelling van de normrente mogelijk is dat een lening die bij aanvang zonder fiscale consequenties bleef, in een later jaar wél tot heffing van loonbelasting kan leiden. Verhuur werkkamer aan eigen B.V. vanaf 2001 Met betrekking tot de verhuur van een werkkamer in de privé-woning van een dga aan zijn eigen B.V. is per 1 januari 2001 een aantal wijzigingen ingevoerd. In dit artikel zullen wij ingaan op de fiscale mogelijkheden en gevolgen van verhuur van een werkkamer vanaf 2001. De verhuur van uw werkkamer aan de B.V. wordt door de invoering van de belastingherziening 2001 in beginsel belast volgens de zogenoemde terbeschikkingstellingsregeling. Dit betekent dat de huurinkomsten minus de daarop drukkende kosten belast worden tegen het progressieve tarief in box I. Ook de waardestijging van de werkkamer is bij verkoop van de woning of bij beëindiging van verhuur aan de B.V. belast. Uitzondering Onder bepaalde voorwaarden is de verhuur van de werkruimte in de eigen woning echter belast in box III. In box III zal dan over de waarde van de werkruimte minus de daarop drukkende hypotheek een forfaitair rendement worden berekend van 4%. Over dit forfaitaire rendement wordt vervolgens 30% inkomstenbelasting geheven (per saldo 1,2% over de waarde minus schulden). Over waardestijgingen bent u behalve het jaarlijkse forfaitaire rendement, geen inkomstenbelasting verschuldigd bij verkoop. De werkelijke huurinkomsten zijn niet belast, de kosten zijn niet aftrekbaar (ook de hypotheekrente niet). Voorwaarden De voorwaarden voor heffing in Box III zijn: - het gaat om een werkruimte, die fysiek niet als een zelfstandig deel van de woonruimte is te onderscheiden; - de oppervlakte van de werkruimte is niet groter dan een derde deel van de oppervlakte van uw eigen woning. Van belang bij bovengenoemde regeling is dat ook indien een werkkamer om niet (gratis) ter beschikking wordt gesteld aan de B.V., deze op bovengenoemde wijze in de heffing betrokken wordt. Daarnaast is van belang dat de woning alleen voor dat deel dat niet valt in Box III onder de eigen-woning- regeling valt. Dit houdt in dat ook alleen voor dat deel de hypotheekrente aftrekbaar is. Deze laatste consequentie kan ervoor zorgen dat de regeling minder aantrekkelijk uitpakt.