Adviesbureau J.A.M Louwe | Jewelweg 7 | 1759 HA | Callantsoog | T: 0224 581689 | F: 0224 582245

Fiscale wetenswaardigheden & Uitspraken

In deze rubriek worden in het kort actuele fiscale ontwikkelingen naar voren gebracht die voor de lezer van belang kunnen zijn. Daarbij wordt niet gestreefd naar volledigheid, doch wordt een keuze gemaakt uit recente ontwikkelingen of uitspraken van onze belastingrechter.

Uitspraak bezwaarschrift naar verkeerd adres

Aan BV X wordt een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Deze aanslag is hoger aanslag dan volgens de aangifte te verwachten was. Op verzoek van BV X tekent belastingadviseur A bezwaar aan tegen de aanslag. De inspecteur wijst het bezwaar af, maar stuurt de afwijzing naar BV X in plaats van naar A. BV X reageert wat traag en informeert A te laat over het afwijzen van het bezwaar.
Het gevolg was dat A, namens BV X, niet in staat was binnen voorgeschreven termijn van zes weken in beroep te gaan tegen de afwijzing op het bezwaarschrift en dat het Hof het ingediende beroepschrift wegens over-schrijding van de termijn niet-ontvankelijk verklaarde. Adviseur A ging daarop in cassatie want volgens hem had het Hof ten onrechte beslist dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.
De Hoge Raad oordeelde als volgt. Het bezwaarschrift, d.d. 6 september 1995, is verzonden door adviseur A, gevestigd te Z. De uitspraak op het bezwaarschrift, d.d. 15 augustus 1998, is verzonden aan BV X, gevestigd te Y. Uit de uitspraak van het Hof blijkt niet dat de gemachtigde (A) heeft verzocht de uitspraak op het bezwaarschrift naar een ander adres te verzenden dan naar zijn kantooradres in Z, dat vermeld was op het bezwaarschrift.
Dit betekent dat de uitspraak niet op de voorgeschreven wijze aan de gemachtigde is verzonden. Het Hof heeft daarom het beroep van A ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak kan dus niet in stand blijven en het geschil zal opnieuw in behandeling moeten worden genomen door het Hof.

Hoge Raad 5 oktober 2001, nummer 36.857.

Arbeidsbeloning echtgenote niet zakelijk

De heer S is tandarts en wordt in de praktijk geassisteerd door zijn echtgenote. Zij ontvangt hiervoor € 18.151 per jaar. Per week werkt zij 30 uur. S vindt deze beloning gerechtvaardigd, omdat zijn echtgenote naast de reguliere werkzaamheden als tandartsassistente ook andere taken verricht. De inspecteur stelt dat zij alleen de normale werkzaamheden van een tandartsassistente verricht. Dit doet zij twee dagen per week. Omdat een fulltime assistente gemiddeld € 18.151 per jaar verdient, bepaalt de inspecteur de arbeidsbeloning op € 7.260.
Het Hof oordeelt dat het aannemelijk is dat de echtgenote van S gemiddeld 20 uur per week in de praktijk werkzaam is. Dit blijkt uit het door S verstrekte overzicht en de toelichting hierop. Evenwel maakt S niet aannemelijk dat een jaarsalaris van meer dan € 18.151 redelijk is voor tandartsassistenten in het algemeen of zijn echtgenote in het bijzonder. Op grond hiervan wordt de arbeidsbeloning vastgesteld op €9.076.

Hof Amsterdam, 16 februari 2001, nr. 99/2216

Noot
Het komt regelmatig voor dat echtgenoten van IB -ondernemers meewerken in de onderneming. Bij een hoge winst is de verleiding groot om de echtgenote een beloning te geven die, gezien de verrichte werkzaamheden, te hoog is. Op deze wijze hoopt men, de belastingdruk te verlagen. De belastingdienst let echter in toenemende mate op de zakelijkheid van de beloning van de echtgenote. Zijn er onvoldoende zakelijke argumenten dan volgt er een correctie. Met als gevolg een navordering bij de ondernemer meestal verhoogd met een boete.
Tip
Meewerkende partner: maak een overzicht van uw werkzaamheden.

Studie en urencriterium

Mevrouw C start in mei een eigen onderneming. Zij begint in september van dat jaar ook met de opleiding Algemene Ondernemersvaardigheden (AOV). Zij ging de cursus doen met het oog op het opstarten van haar onderneming en beschouwt de bestede uren hieraan als uren gemaakt in het kader van haar onderneming. De inspecteur vindt echter dat deze uren niet kunnen meetellen voor het urencriterium en weigert daarom de zelfstandigenaftrek aan mevrouw C. Het Hof heeft begrip voor het standpunt van C, zij maakt aannemelijk dat de cursus is gevolgd voor een behoorlijke vervulling van haar ondernemerschap. De cursus kan niet los worden gezien van de exploitatie van het bedrijf. De bestede uren hieraan tellen dus mee voor de toepassing van het urencriterium. Zij heeft recht op de zelfstandigenaftrek.

BV en terug naar de eenmanszaak

Vanaf 1 januari 1997 geldt dat een aandeelhouder van een BV die tenminste 5% van de aandelen houdt en arbeid verricht voor de BV een salaris dient op te nemen van tenminste € 38.118. Indien de inspecteur van mening is dat een zakelijke beloning op een hoger bedrag dient vastgesteld te worden, dan dient hij dit aannemelijk te maken. Indien de aandeelhouder vindt dat een zakelijke beloning op een lager bedrag dan € 38.118 vastgesteld dient te worden, dan rust op hem de bewijslast. In de praktijk blijkt dat de rechter niet snel vindt dat een zakelijke beloning op een hoger of lager bedrag dient te worden vastgesteld. Voor de BV ’s die bezwaarlijk een beloning van € 38.118 kunnen vergoeden, zou overwogen kunnen worden om terug te keren naar de eenmanszaak. Als IB- ondernemer bestaat onder meer aanspraak op de zelfstandigenaftrek, zodat naar alle waarschijnlijkheid door middel van de IB -onderneming er een hoger besteedbaar inkomen kan worden verkregen. Sedert 1 januari 2001 bestaat er een fiscale faciliteit met betrekking tot de terugkeer naar de eenmanszaak, zodat de aanwezigheid van stille reserves geen beletsel hoeven te zijn voor de terugkeer.

Tweede definitieve aanslag nietig

De heer A ontvangt een definitieve aanslag inkomstenbelasting, berekend naar het aangegeven belastbaar inkomen. Een andere eenheid van de Belastingdienst legt ruim een week daarna een tweede, hogere aanslag op met hetzelfde aanslagnummer. A maakt bezwaar en stelt dat de hogere aanslag ten onrechte is opgelegd. De inspecteur bestrijdt dit en beweert dat de tweede aanslag als een navorderingsaanslag moet worden aangemerkt. Het Hof overweegt dat een inspecteur na het vaststellen van een definitieve aanslag geen recht heeft een tweede definitieve aanslag op te leggen. Dit kan alleen onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld als er sprake is van een nieuw feit. A wint de procedure en de tweede aanslag wordt herroepen.

Uitspraak Hof Leeuwarden d.d. 22 juni 2001, nummer 447/00 Bron: Min.v Fin.
Noot
Navorderingsaanslagen kunnen alleen worden opgelegd in de volgende gevallen:
· Een nieuw feit dat de inspecteur redelijkerwijze nog niet kende;
· De belastingplichtige wist dat hij een onjuiste aangifte deed.
· Als er sprake is van een schrijf- of tikfout die voor de belastingplichtige herkenbaar is.
In deze zaak was geen van voornoemde gevallen van toepassing. Wordt aan u een navorderings- of naheffingsaanslag opgelegd, neem dan zo snel mogelijk contact met uw RBB-adviseur om te beoordelen of deze aanslag terecht is opgelegd. Er moet namelijk binnen zes weken na het opleggen van de aanslag bezwaar worden gemaakt.
Noot
Laat belastingaanslagen tijdig beoordelen

Geen teruggaaf omzetbelasting

Regelmatig wordt bij belastingcontroles de teruggaaf van in rekening gebrachte omzetbelasting geweigerd omdat de inkoopfactuur niet aan de eisen van de wet voldoet. In dit geval bleek de ondernemer Y BV, die de factuur had uitgereikt, niet te bestaan. De in rekening gebrachte omzetbelasting was door Y BV ook niet afgedragen. Volgens de afnemer, aan wie de teruggaaf was geweigerd, was de leverancier Z BV, die handelde onder de naam Y BV.
Het Hof bevestigde nog eens dat op een inkoopfactuur de juiste naam van de leverancier moet worden vermeld en wat er is geleverd. Omdat de juiste naam van de ondernemer niet was vermeld, was de teruggaaf terecht geweigerd. De Hoge Raad bevestigde de uitspraak van het Hof.

Hoge Raad d.d.16 mei 2001, nr. 36.284, Bron: Min. v. Financiën

Noot
Het is voor u als ondernemer belangrijk er op te letten of de factuur aan de eisen der wet voldoet. Overleg bij twijfel met uw RBB-adviseur.

Holding BV en omzetbelasting

Het komt veel voor dat bij het ondernemen gebruik wordt gemaakt van de zogenaamde “Holdingstructuur” met een of meer “werkmaatschappijen”. De reden daarvan is dat overtollige winsten van de “Werk-BV”, uit de risicosfeer naar de Holding overgeheveld kunnen worden, zonder heffing van vennootschapsbelasting. Als de activiteiten van de Holding niet meer inhouden, dan het houden van de aandelen (er wordt geen managementvergoeding aan de werk-bv in rekening gebracht), is de holding dan belastingplichtig voor de omzetbelasting?
De Hoge Raad heeft deze vraag voorgelegd aan het Europese Hof van Justitie en dit gaf als antwoord dat, indien de holding géén activiteiten verricht die zijn onderworpen aan de omzetbelasting (verkoop van goederen, dienstverlening) deze vennootschap niet belastingplichtig is voor de omzetbelasting.

Hof van Justitie d.d. 12 juli 2001, nr. C-102/00, Bron: Min. v. Financiën

Noot
Het gevolg van deze uitspraak is dat “ holdings” die niet belastingplichtig zijn voor de omzetbelasting de in rekening gebrachte omzetbelasting niet kunnen verrekenen.

Belastingdienst: formele bureaucratie

Mevrouw G bezit een auto. Zij heeft de verschuldigde motorrijtuigenbelasting over het tijdvak 22 mei 1999 tot en met 21 augustus 1999 per bank betaald. Het bedrag is met rentedatum 1 juni 1999 van haar bankrekening afgeschreven. Dit bedrag wordt door de Belastingdienst teruggestort op het bankrekeningnummer van een derde. Mevrouw A wist hier niets van.
Met dagtekening 3 augustus 1999 is aan haar een naheffingsaanslag opgelegd voor de verschuldigde belasting over het bovengenoemde tijdvak. Zij heeft de aanslag niet betaald en ook daarna de aanmaning en het dwangbevel met de erbij horende kosten niet. Mevrouw A heeft drie keer telefonisch contact opgenomen met de Belastingdienst: na ontvangst van de naheffingsaanslag, de aanmaning en het dwangbevel. Daarbij is haar telkens meegedeeld dat het bedrag niet is ontvangen. Over de terugstorting van het bedrag aan een derde is met geen woord gerept. Hierna heeft zij ook nog een bezoek gebracht aan de Belastingdienst om opheldering te verkrijgen. Dit heeft echter niet tot een oplossing geleid.
De vraag is of er terecht vervolgingskosten in rekening zijn gebracht.
Het Hof stelt dat uit de feiten duidelijk blijkt dat de Belastingdienst ten onrechte invorderingsmaatregelen heeft genomen. Te meer daar mevrouw A diverse keren telefonisch contact heeft gezocht. Zij heeft zelfs de moeite genomen een bezoek te brengen aan de Belastingdienst. Het staat vast dat A de belasting tijdig heeft voldaan. Dat zij niet de juiste weg heeft bewandeld door schriftelijk bezwaar te maken, is haar niet aan te rekenen. Van de Belastingdienst mag in deze situatie worden verwacht dat deze zich minder formeel en bureaucratisch opstelt. De vervolgingskosten worden niet in rekening gebracht.

Hof Den Haag d.d. 15 december 2000, nr. 99/30862, Bron: Min. v. Financiën

Noot
Het is diep treurig dat mevrouw A een beroepsprocedure voor het Hof moet aanspannen om haar gelijk te halen en dat deze kwestie niet even soepel opgelost had kunnen worden door de mensen die het u wel makkelijker maar zeker niet leuker kunnen maken. Daarom adviseren wij u: bewandel de juiste weg, maak schriftelijk bezwaar en maak notities van alle contacten met de belastingdienst.
Tip !
wie schrijft die blijft.

Autohandelaar en privé-gebruik auto

B drijft samen met zijn echtgenote en thuiswonende zoon een firma. De firma koopt schade-auto’s in, die na reparatie weer worden verkocht. Op de begin- en eindbalans van de firma voor 1992 staan negen tot het vermogen van de firma behorende auto’s vermeld als “handelsvoorraad”. Van geen enkele auto werd een kilometeradministratie bijgehouden. De inspecteur heeft het belastbare inkomen verhoogd met een bijtelling privé-gebruik voor drie personenauto’s. Dit omdat er in de onderneming drie potentiële gebruikers waren, namelijk A, zijn echtgenote en de zoon. Het geschil met de inspecteur gaat over de vraag of de bijtelling van het autokostenforfait terecht is. Het Hof geeft de inspecteur gelijk en stelt dat de bijtelling terecht is toegepast. B houdt de Hoge Raad voor dat personenauto’s die tot zijn handelsvoorraad behoren geen mogelijkheid tot privé-gebruik bieden omdat de wettelijke voorschriften dit niet toestaan. Omdat het Hof hier geen rekening mee gehouden had wordt de zaak terugverwezen naar het Hof.
Vervolgens stelt de inspecteur dat de wet dit privé-gebruik inderdaad niet toestaat maar toont tevens aan dat er regelmatig misbruik van deze regeling bij handelaren wordt geconstateerd. Dit betekent, hoewel wettelijk niet toegestaan, dat privé-gebruik wel degelijk mogelijk is. Het betoog van B is dus onjuist. Omdat B niet over een sluitende kilometeradministratie beschikt, kan hij niet aantonen dat de auto’s op jaarbasis elk voor minder dan 1000 kilometer voor privé-doeleinden worden gebruikt.
De autohandelaar verliest.
Hoge Raad d.d. 6 juni 2001 nr. 36.343, Bron: Min. v. Financiën